Achteruitgang
van de Vale Gier in Spanje

Gepubliceerd
in Het Vogeljaar
juli 2007
Door
: Kees Woutersen
De
groei van de populatie Vale Gieren Gyps fulvus in
Spanje is de laatste tientallen jaren spectaculair geweest.
De eerste nationale telling in 1979 kwam uit op ongeveer 3.240
broedparen, in 1999 was dit aantal toegenomen tot 22.455 en
ook daarna ging de groei maar door. In 2006 is echter voor
het eerst een teruggang ingezet. De belangrijkste reden daarvoor
is voedselgebrek. Sinds een aantal jaren bestaan er Europese
regels die verplichten om het opruimen van kadavers van vee
te reguleren. Het belangrijkste voedsel voor de Vale Gier
in Spanje zijn kadavers van varkens, schapen en koeien. Als
deze dieren stierven werden ze altijd in het veld achtergelaten
of naar traditionele ‘Muladares' gebracht. Ieder dorp in Spanje
heeft zo'n vaste plek om dood vee te dumpen, waar dat dan
netjes en gratis wordt opgeruimd door gieren en andere aaseters.
Iedereen gelukkig dus. Maar dat mag nu niet zomaar meer. De
zelfstandige regio's – de Autonomias verantwoordelijk
voor de verdere invulling en uitvoering van deze regelgeving
– zijn hier sinds enkele jaren hard mee bezig. Dat betekent
dat er in sommige regio's in de praktijk nog niets is gebeurd,
zoals in Andalucía in het zuiden, maar dat andere regio's,
zoals Aragón in het noorden, inmiddels zeer strenge regels
hebben gemaakt. Sinds begin 2006 worden deze regels ook uitgevoerd
en dat betekent dat het verboden is dood vee te dumpen op
straffe van een hoge boete. Alle boeren hebben een plastic
container gekregen, alles moet naar een destructiepunt en
er wordt ook daadwerkelijk gecontroleerd. De veehouder krijgt
een hoge boete als er een kadaver van hem in het veld wordt
gevonden. De achteruitgang van de Vale Gier is al op enkele
plekken duidelijk te zien, zoals bij Riglos. De grote kolonie
bij Riglos in de Pyreneeën (zie het Vogeljaar 53
(2005): 243-248.) had gemiddeld 92 broedparen en 58 vliegvlugge
jongen in de jaren 2000-‘02, in 2006 waren dat 74 paar en
38 jongen en in 2007 nog
maar
40 paar en 16 jongen.
Door
voedselgebrek is ook het gedrag van de Vale Gier veranderd.
Ze komen nu veel eerder dichtbij veefokkerijen, ongekend grote
aantallen blijven hier op een dood beest wachten, ze gaan
in groten getale op de daken zitten en komen zelfs op het
erf en in de stal om ziek of gewond vee aan te vallen. Boeren
raken in paniek en grote stukken verschijnen in de kranten.
Bij nader onderzoek blijken het dan verwilderde honden te
zijn geweest die de schapen als eerste hebben aangevallen,
maar toch. Regelmatig wordt nu gezien dat Vale Gieren in het
open veld blijven slapen en niet meer teruggaan naar de veilige
rotswanden in de bergen om te overnachten. Bij vogelopvangcentra
zijn veel meer verzwakte jonge gieren binnengebracht dan andere
jaren. Zo vond een boswachter in de Ebrovallei in enkele dagen
zestig verzwakte jonge gieren die niet meer de lucht in konden
komen. In december 2006 werden vijfhonderd Vale Gieren op
een vuilnisbelt bij Egea (Aragón) gezien die tussen plastic
naar eetbaar afval zochten. De Ooievaars die dit normaal altijd
doen, stonden op een afstand te kijken. Het is duidelijk dat
veel Vale Gieren in Spanje honger lijden. Op veel plekken
zijn vogel- en natuurbeschermers acties aan het voeren of
aan het voorbereiden om dit probleem in goede banen te leiden.
In de regio La Rioja is alles prima geregeld met een vergunningstelsel
voor particuliere boeren wier bedrijven ziektevrij zijn en
een aantal door de overheid gecontroleerde dumpplaatsen. In
Aragón probeert een in aaseters gespecialiseerde groep –
Fondo Amigos del Buitre ( http://www.fondoamigosdelbuitre.org
)
– met publiciteit en het verzamelen van harde feiten
het publiek en de politiek wakker te schudden. Daarbij komt
hulp uit onverwachte hoek. Niet alleen de boeren vinden dat
er onmiddellijk wat moet gebeuren, ook de jagers vinden het
te gek dat de gieren honger lijden. Hoe gaat de toekomst eruit
zien? We hebben goede hoop dat er uiteindelijk redelijke vergunningstelsels
komen, maar het voedselaanbod voor aaseters in Spanje zal
nooit meer zo groot worden als het was. Daarnaast zijn er
nog twee andere serieuze problemen waar moeilijk iets aan
te doen is. Het uitleggen van gif wordt maar niet minder (zie
het Vogeljaar 49
(2001): 8-11.) en sinds vijf jaar zijn de windmolenparken
als paddestoelen uit de grond
geschoten. Sommige windmolenparken zijn ware gehaktmolens,
want ze staan op vliegroutes van Vale Gieren en maken tientallen
slachtoffers per jaar. Groene stroom is in Spanje heilig en
niemand wil hierover praten. Na tientallen jaren van ongekende
groei zullen we moeten wennen aan een kleinere populatie Vale
Gieren, op welk niveau het uitkomt weet niemand.
*
Kees Woutersen, C/Ingeniero Montaner 4-1-C, 22004 Huesca,
Spanje; internet: http://www.aragonnatuur.com.
Foto
: Een jonge Vale Gier wordt vrijgelaten aan de voet van de
Pyreneeën.
Na
sluiting van Muladares in de Pyreneeën:
Gieren
vallen dood van de honger

Door:
Bert de Jong, gepubliceerd op 7 april 2007 in het
Noordhollands Dagblad, Haarlems Dagblad, Leids Dagblad, Gooi-
en Eemlander.
In
2000 waren er nog een slordige 200 zogeheten 'Muladares'.
Vaste plekken in de omgeving van dorpen, waar de veehouders
hun dode beesten neer konden leggen. De gieren ruimden ze
op. Deze voerplaatsen zijn allemaal gesloten. De gevolgen
zijn rampzalig. Kees Woutersen is er woedend over. De ex-Alkmaarder
woont in Huesca, schreef een handvol boeken over flora en
fauna in de Pyreneeën, en runt een reisorganisatie gespecialiseerd
in natuurtrips. Hij vertelt: ,,In de Riglos, onderdeel van
de Aragonese Pyreneeën, broedden vijf jaar geleden 92 paar
vale gieren, die 58 jongen groot brachten. Dit jaar doen slechts
40 paar een broedpoging, zonder succes. Ze zijn te zwak om
eieren te leggen. Een andere broedkolonie, bij Guara, telde
in 1999 nog 89 broedparen met 75 groot gebrachte jongen. Dit
voorjaar telde ik 15 broedparen, zonder jongen.'' Twee voorbeelden
die de ernst van de situatie illustreren.
Koloniebroeders
Gieren
zijn de favoriete vogels van Woutersen. ,,Weet je dat ze honderden
kilometers per dag af kunnen leggen om aan voedsel te komen,
en dat ze een kadaver in luttele minuten tot op het bot kaal
vreten? Het zijn bovendien koloniebroeders. Dat maakt ze voor
mij extra interessant. In Nederland was ik gespecialiseerd
in meeuwen, eveneens koloniebroeders.'' Woutersen schreef
een boek over meeuwen die in Alkmaar op daken gingen broeden
na de komst van vossen naar de duinen.
Samen
met de boeren in Aragon knokt Woutersen nu voor heropening
van de Muladares. ,,Dankzij die voerplekken kwamen de boeren
op een goedkope wijze van hun dode vee af, met name schapen.
Die voerplekken zijn vaak eeuwenoud. Op het platteland had
vrijwel ieder dorp er eentje.'' En de gieren waren verzekerd
van voldoende voedsel. Een mooi staaltje samenwerking. Hoe
anders is de situatie thans. Kees verhaalt over door honger
verzwakte vale gieren, die niet eens meer kunnen vliegen.
Die zich eenvoudig laten vangen. Ze worden in vogelopvangcentra
opgelapt. De vogels na het revalideren weer loslaten heeft
op dit moment echter geen zin, gelet op de voedselschaarste.
De
voor de gieren fatale Aragonese wet is een uitvloeisel van
aangescherpte Europese regelgeving inzake het voorkomen van
besmettelijke veeziekten. Zonder enige vorm van inspraak of
overleg met natuurorganisaties en de boeren zijn de Brusselse
directieven in Aragon vertaald in een regionale wet, die volgens
Woutersen veel strenger is dan noodzakelijk. ,,Het had best
anders gekund, Europa laat daar ruimte voor. In dat geval
moet 4 procent van de kadavers die naar Muladares gaan getest
worden op besmettelijke veeziekten. Worden die niet aangetroffen,
dan kunnen de voerplaatsen gewoon open blijven. Voor die aanpak
is bijvoorbeeld gekozen in een andere Spaanse regio, Rioja.''
De deur voor de voerplaatsen is door Brussel bewust op een
kier gelaten, omdat de meeste aasetende roofvogels in Europa
ernstig worden bedreigd. Naast vale gieren gaat het onder
andere om aasgieren, lammergieren, rode en zwarte wouw. Brussel
steekt miljoenen euro's in programma's voor bescherming en
herintroductie van deze roofvogels.
Over
de besluitvorming in de Pyreneeën regio velt Woutersen een
hard oordeel. ,,Het regionale politieke systeem wordt gekenmerkt
door arrogantie en vriendjespolitiek. Dat zou in Nederland
niet meer kunnen.'' Er is in 2005 een bedrijf opgericht voor
het ophalen en verwerken van dood vee. Die firma heeft een
monopolie. Boeren mogen alleen met dat bedrijf zaken te doen,
er is geen concurrentie. ,,Ze kunnen zich tegen de ophaal-
en verwerkingskosten verzekeren voor 18 euro per schaap per
jaar. In Aragon levert dat 40 miljoen euro premiegeld per
jaar op. Ik vrees dat een flink deel in de zakken van de politieke
elite verdwijnt.''
Boeren
zijn mordicus tegen de wet, ze vrezen scherpe verhoging van
de premies. Toch durven ze geen kadavers meer in het land
te laten liggen. ,,Er is veldpolitie die streng controleert.
Hangt er ergens een wolk uitgehongerde gieren boven het land,
dan weten de agenten dat er beneden een kadaver ligt. De boer
krijgt een rechtszaak aan de broek,'' aldus Woutersen.
Hongerige gieren storten zich de laatste tijd wanhopig op
nog levend vee. ,,Er zijn inmiddels honderden schapen gedood.
Er gaat geen week voorbij zonder aanvallen. Bij één boer stortte
een groep vale gieren zich bij de boerderij op een nageboorte
van een schaap. De schaapskudde bevond zich in een door hekken
omgeven kraal, de dieren raakten hevig in de stress. Gieren
zijn met een vleugelspanwijdte van 2,5 meter ook imponerende
vogels. In de kraal kwamen door de paniek in één keer 300
schapen om het leven. Ze drukten elkaar dood.''
De
gierenmisère komt op een moment dat het deze vogels juist
weer beter ging in Spanje. Tachtig procent van de Europese
vale gieren leeft op het Iberisch schiereiland. Aragon fungeert
als bolwerk voor deze aaseters. Ze spelen als opruimers een
essentiële rol in de natuur en genieten volledige bescherming.
Vale gieren uit Aragon worden gebruikt in verschillende herintroductieprogramma's,
onder andere in de Alpen. Deze projectvogels zijn tijdens
zwerftochten af en toe ook een poosje te gast in Nederland.
Verdomhoekje
Aasetende
roofvogels zaten in Spanje heel lang in het verdomhoekje.
Zo legden Spaanse boeren tot ver in de jaren zeventig van
de vorige eeuw massaal aas uit, besprenkeld met het zeer giftige
strychnine. Niet om gieren te doden, het ging in de eerste
plaats om wolven uit te roeien. Maar gieren aten er ook van
en stierven. Hoewel minder dan voorheen wordt er overigens
nog steeds giftig aas uitgelegd, nu gericht op het doden van
vossen en verwilderde honden, weer met gieren als onbedoelde
slachtoffers. Een kwart eeuw geleden waren er nog slechts
enkele duizenden gieren over. Bescherming en vermindering
van de gifpraktijken leidden tot een opmerkelijk herstel.
De Spaanse populatie vale gieren werd recent op 22.000 broedparen
geschat. Woutersen weet zich in de strijd voor heropening
van de Muladares gesteund door een aantal Spaanse natuurbeschermers,
en door de bergboeren en hun schaapskuddes. Ook die willen
terug naar de oude situatie.
Hoe
nu verder? Woutersen: ,,Onze strategie is gericht op Brussel.
Dáár moet de oplossing vandaan komen. Het kan toch niet zo
zijn dat de EU de regionale overheid in de Pyreneeën ongemoeid
laat, als hun kostbare natuurbeschermingsprogramma's gefrustreerd
worden.''

De
Vale Gieren van Gyps fulvus van Riglos
Gepubliceerd in Het Vogeljaar 2005 nr. 53
(6), pp 243 - 246.
Door:
Kees Woutersen

Riglos,
in de Spaanse Pyreneeën, is één van de bekendste plekken om
gieren te bekijken. De honderden meter hoge roestrode rotswanden
zijn beroemd bij wandelaars, klimmers en vogelaars. Op ieder
moment van de dag vliegen er Vale Gieren Gyps fulvus .
De
kolonie
Bij
mijn eerste bezoek aan Riglos, in 1979, leek het dat er honderden
en honderden gieren rondvlogen. Bij nadere beschouwing waren
het er iets minder, maar ja deze vogels met een spanwijdte
van ruim 2,5 m leken de hele lucht te vullen. Ook bleken ze
niet op alle delen van de rotswanden te broeden. In de hoge
rotsen boven het dorp maken ze hun nest in kleine grotjes,
goed beschermd tegen weer en wind. Een grote kolonie ligt
enkele kilometers verder naar het oosten en is te bereiken
via een goed pad, dat onder de rotsen loopt. Hier aangekomen
kijk je tegen een enorme rotswand. Daar broeden de Vale Gieren
op platformpjes. Slechts voor enkele paren is er plaats in
een grotje. Vanaf de grond kun je de nestplaatsen goed zien
zitten. Vooral als je er een goede telescoop op richt.
Er
is echter een nog veel betere observatieplek. Dat is de bovenkant
van de rotspunt tegenover de kolonie. Vanuit Riglos kun je
hier niet komen. Eerst moet je terug naar Ayerbe, daar de
richting Loarre kiezen, dan de afslag nemen naar Sarsarmarcuello
en vervolgens de onverharde weg ingaan. Deze begint in het
dorp en gaat dan verder omhoog. Meestal is hier een terreinwagen
nodig, afhankelijk van de staat van onderhoud van deze steenslagweg.
Na enkele kilometers staat ´SAFARI´ aangegeven (naar links).
Deze weg volgend kom je bij de rotspunt.
Het
aantal vale gieren
Zelf
heb ik Riglos vogels geteld in 1986 en in 1989. Van 1999 zijn
er gegevens van de landelijke telling. Sinds het jaar 2000
bezoek ik de rotspunt bij Safari jaarlijks omstreeks eind
februari om het aantal broedparen in de grote kolonie te tellen.
De meeste gieren hebben dan eieren. Rond 1 juli volgt een
tweede bezoek om het aantal grote, nog niet vliegvlugge jongen
te tellen. Met deze gegevens kan het broedsucces bepaald worden.
Deze jonge Vale Gieren zijn in juli al net zo groot als hun
ouders, maar ze zijn toch makkelijk te herkennen aan de egaal
donker loodgrijze snavel en de halsband van kleine bruine
veertjes. Volwassen vogels hebben een witte halsband. Bovendien
hebben de jongen een donkerbruin en nog geheel schoon verenkleed,
ze hebben nog niet in een kadaver gezeten.
Uit
de tellingen bij Riglos blijkt een flinke vooruitgang: in
1986 waren er 55 paren, in 1989 ongeveer 95 paren en in 1999
152 paren. Deze stijging komt overeen met de groeifactor van
de hele Spaanse populatie. Die elke tien jaar meer dan verdubbeld.
Er waren 3.240 paren in 1979, circa 8.000 paren in 1989 en
22.455 paren in 1999. Afschot en het uitleggen van gif had
de Spaanse populatie Vale Gieren tot in de jaren zeventig
van de vorige eeuw laag gehouden. Het plafond van de huidige
groei is nog steeds niet in zicht. Zowel broedgelegenheid
(rotswanden) als voedsel (vooral dood vee) zijn blijkbaar
geen beperkende factoren.
De
grote kolonie
Mijn
tellingen vanaf Safari van Vale Gieren die een nest hebben
op de grote kolonie varieerde van 73 tot 113 paar (Tabel 1).
Tabel
1 - Aantal broedparen van de Vale Gier op de grote kolonie
in Riglos.
Jaar
broedparen
vliegvlugge jongen
broedsucces
2000
73
60
82%
2001
90
65
72%
2002
113
67
59%
2003
80
46
58%
2003
95
44
46%
Opvallend
is dat het aantal paren dat start met broeden van jaar tot
jaar sterk varieert. Er zijn nog heel veel andere kolonies
dicht in de buurt en ik denk dat er veel uitwisseling plaats
vindt tussen de verschillende rotswanden. Aan de zuidrand
van de Pyreneeën, op minder dan een uur vliegen van Riglos,
broeden rond de drieduizend paren Vale Gieren. Verder is het
verontrustend dat het broedsucces de laatste jaren sterk is
afgenomen. Niet alleen het aantal jongen per paar is sterk
afgenomen. Ook het aantal jongen dat de kolonie grootbrengt
is de laatste twee jaar veel lager. We hebben in Riglos niet
gekeken of er ook subadulte vogels meedoen aan het broedproces
maar in andere kolonies in Spanje is dit wel geconstateerd
(Blanco, Martínez & Traverso 1997). Bij die kolonies is
gezien dat een deel van de broedparen waarbij subadulte vogels
betrokken zijn in het geheel geen eieren legt en dat het broedsucces
er veel lager is dan bij paren met twee adulte vogels. Waarschijnlijk
heeft dit verschijnsel ook zijn invloed op de grote kolonie
bij Riglos. Indien dit juist is zou dus het aantal subadulte
vogels in Riglos toegenomen moeten zijn. Er is echter ook
een andere mogelijk oorzaak. In november 2002 is 30 km. ten
zuiden van Riglos namelijk een windmolenpark geopend waar
inmiddels al ruim 150 dode Vale Gieren zijn gevonden (mededling:
J:C. Albero), bijna allemaal volwassen vogels. Zou daar de
oorzaak liggen?
Het
dagritme
Het
blijft fascinerend om al die gieren in de lucht te zien rondcirkelen
Soms zijn de groepen groot en soms klein. In de ochtend vertrekken
ze, vliegen over de velden en bergen op zoek naar kadavers
en ze komen tegen de avond weer terug. Tenminste, dat is het
beeld dat we hebben. Met de toenmalige Vogelwerkgroep in Huesca
hebben we in 1986 vier hele dagen van donker tot donker op
Safari gepost en alle in- en uitvliegende gieren geteld om
te kijken hoe dit nu feitelijk in zijn werk gaat. Hier volgt
een samenvatting van de opvallende resultaten.
Het
aantal vogels dat in de ochtend aanwezig is, was niet altijd
gelijk aan het aantal dat in de avond terugkwam. Soms lag
dit veel lager en soms veel hoger. Ongetwijfeld komt dit omdat
de Vale Gieren niet altijd op hun eigen kolonie slapen maar
rechtmatig andere slaapplekken opzoeken.
Tabel
2 - Aantal Vale Gieren dat in de ochtend en in de avond aanwezig
was op de grote kolonie van Riglos.
Datum
Ochtend
Aavond
23-03-1986
150
151
01-05-1986
140
93
31-05-1986
145
136
06-07-1986
101
194
Twee
dagen vertrokken de eerste Vale Gieren direct na het ochtendgloren.
Dat waren dagen met harde wind en ze gebruikten de tegen de
rotswanden opgestuwde luchtstromingen om omhoog te komen.
De andere twee dagen wachtten bijna alle vogels tot er termiek
onstond, om zo in stijgende lucht en zonder energieverlies
hoog in de lucht te kunnen komen. Rond 12.00 uur was het aantal
altijd op zijn minimum en twee à drie uur voor zonsondergang
zaten alle vogels weer op de rotsen.
De
meeste vale gieren vertrokken in de ochtend maar gedurende
de gehele dag waren er individuen die de kolonie verlieten.
Sommigen kwamen na half uur al weer terug. Deze vogels zijn
niet altijd echt het veld in gegaan om voedsel te zoeken.
In de ochtend zagen we regelmatig vale gieren op enkele
kilometers van de kolonie op een ruïne zitten. Terugkerende
vale gieren werden regelmatig verspreid over de dag gezien,
er was niet een duidelijke piek in de middag of avond.
Aan
de hand van de gegevens konden we uitrekenen hoe lang de ´gemiddelde´
vale gier buiten de kolonie was geweest. Dit kan door de mediane
vertrekkende vale gier te vergelijken met de mediane terugkomende,
tenminste als het aantal vogels in de ochtend en in de avond
ongeveer gelijk is. Zo zien we dat op 23 maart 1986 de gemiddelde
Vale Gier vijf uur en één minuut buiten de kolonie was en
op 31 maart 1986 vier uur en zevenentwintig minuten. Dit is
dus de tijd dat ze vliegend boven het land op zoek kunnen
zijn naar kadavers. Volgens Glutz von Blotzheim et al. (1971)
vliegt een Vale Gier 64 km/h en dat zou deze twee dagen betekenen
dat er een gemiddeld vliegbereik was van 320 en 290 km. Individuen
die lang wegblijven kunnen veel verder komen en zelfs een
korte trip van bijvoorbeeld een uur kan als verkenningstocht
de moeite waard zijn. Opvallend is ook dat sommige vogels
die vroeg in de ochtend of laat in de midddag vertrekken hele
korte trips kunnen maken.
Hoe
veel voedselvluchten maakt een Vale Gier nu per dag? Volgens
Cramp & Simmons (1980) is dat er één. Als we het aantal
uitvliegende Vale Gieren (251) van 23 maart 1986 delen door
het aantal aanwezige gieren (150) komen we op 1,7 vluchtten
per individu en voor 31 mei 1986 komen we op een gemiddelde
van 1,8 vluchten per Vale Gier per dag. Veel Vale Gieren komen
dus terug in de kolonie om later op de dag nogmaals te vertrekken.
Kees
Woutersen, C/Ingeniero Montaner 4-1-C, 22004 Huesca, Spanje,
e-mail: info@aragonnatuur.com
LITERATUUR:
Arroyo,
B., E. Ferreiro & V. Garza (1990): II Censo nacional del
buitre leonado ( Gyps fulvus ).
Icona, Madrid.
Blanco,
G, F. Martínez & J.M. Traverso (1997): Pair bond and age
distribution of breeding Griffon Vultures Gyps fulvus
in relation to
reproductive status and geographic area in Spain. Ibis 139:
180- 183.
Cramp,
S. & K.E.L. Simmons (1980): The Birds of the Western palearctic,
vol. 2. Oxford.
Del
Moral, J.C. & R. Marti (eds.) (2001): El buitre leonado
en la Península Ibérica. Mon. Nº 7, SEO/BirdLife, Madrid.
Glutz
von Blotzheim, U. N. et al. (1970): Handbuch der Vögel Mitteleuropas.
Band 4, Frankfurt.
Knobbelmeerkoet
terug in Spanje
Gepubliceerd
in Het Vogeljaar 2005
Door:
Kees Woutersen

Knobbelmeerkoet, Zuid-Spanje
(© Kees Woutersen).
Tot
enkele
jaren terug was het in een periode van ruim twintig jaar nog
geen enkele vogelaar gelukt de Knobbelmeerkoet
Fulica cristata , één van de zeldzaamste broedvogels
van Spanje, te zien. Jarenlang had iedere fijnproever die
naar Doñana en Zuid-Spanje afreisde, deze soort hoog op zijn
wensenlijstje staan, maar voor zover mij bekend boekte niemand
destijds succes. In 2003 was de situatie echter radicaal veranderd
en was de Knobbelmeerkoet namelijk weer helemaal terug in
Spanje. Sinds 2001 werd de Knobbelmeerkoet al gezien bij bijna
alle natuurreizen die door Natura Aragon (tegenwoordig Aragon
Natuurreizen) naar Zuid-Spanje werden georganiseerd. De beste
plek om deze soort te vinden is Laguna de Medina (bij Jerez
de la Frontera). In september 2001 zagen vogelaars die met
ons op excursie waren, daar op verscheidene dagen maximaal
zeven adulte exemplaren met halfwasjongen die fanatiek gevoerd
werden. In tegenstelling tot de 6.000 gewone Meerkoeten Fulica
atra die midden op het meer dobberden, zaten de Knobbelmeerkoeten
in en aan de rand van de rietkraag. Het was steeds wachten
tot er een ‘Meerkoet' dicht bij het riet zwom en dan met de
telescoop goed kijken of er knobbels op zaten. Vaak was dat
zo!
In
april 2002, september 2002 en april 2003 zagen wij op deze
plek ook Knobbelmeerkoeten. In september 2003 konden wij er
geen vinden, maar mogelijk lag dat aan de harde wind die toen
het kijken bemoeilijkte. In en rond Doñana zagen wij in oktober
2001, april 2002 en april 2003 eveneens diverse van deze vogels.
Zij werden met name aan de noordkant van het gebied en in
de buurt van het bezoekerscentrum Cerrado Garrido aangetroffen.
Volgens onze lokale gids ziet hij de Knobbelmeerkoet tegenwoordig
dagelijks in dit deel van Doñana. Er zijn twee populaties
Knobbelmeerkoeten. De eerste komt voor in het oosten en zuiden
van Afrika en een veel kleinere populatie komt voor in het
West-Palearctische gebied, met name in Noord-Marokko en Zuid-Spanje.
Aan het begin van de twintigste eeuw verdween de Knobbelmeerkoet
in hoog tempo uit de Spaanse Middellandse- Zeekust en een
halve eeuw later stond hij op het punt uit te sterven (Purroy
1997). Begin jaren 1990 werd de populatie geschat op vijf
à twintig paar.
Waar
komen de door ons gespotte vogels dan ineens vandaan? Het
antwoord is dat de Knobbelmeerkoet terug is mede dankzij een
introductieproject van de ‘Cañada de los Pájaros'. Het gebied
ligt iets ten zuiden van Sevilla. De eigenaar van het gebied
vertelde dat hij eieren uit Marokko heeft gehaald en bij een
kleine, in gevangenschap levende populatie heeft gezet. Vervolgens
heeft hij zo'n tachtig vogels op diverse plaatsen losgelaten.
Deze zijn te herkennen aan een witte halsband. Deze vogels
zijn onmiddellijk aan het broeden geslagen, zodat we ons nu
kunnen verheugen op een snel groeiende populatie. Let wel:
de Knobbelmeerkoet kan twaalf maanden van het jaar broeden!
Volgens de Spaanse SEO/BirdLife zijn er in 2001 minstens zeventig
broedparen gevonden (Viada 2002). In de nieuwe broedvogelatlas
van Spanje (Martí & Del Moral 2003) wordt de populatie
voor het jaar 2002 op tachtig paar geschat. Hierbij gaat het
om zowel wilde als uitgezette (met witte halsband) vogels.
Blijkbaar zijn de belangrijkste factoren die de Knobbelmeerkoet
deed uitsterven, verdwenen: jacht en biotoopvernietiging.
*
Kees Woutersen, ARAGON Natuurreizen Spanje, C/Ingeniero
Montaner 4-1-C, 22004 Huesca, Spanje, +34 974 70 11 40, e-mail:
info@aragonnatuur. Internet: http://www.aragonnatuur.com
.
LITERATUUR:
Martí,
R. & J.C. del Moral (red.) (2003 ): Atlas de
las Aves Reproductoras de España. Madrid.
Purroy,
F.J. (1997) : Atlas de las aves de España (1975 -
1995). Lynx, Barcelona.
Viada,
C. (2002) : La focha moruna. El Ecologista 33: 68
- 69.
Belangrijke
vogelgebieden (IBA´s)in Spanje
Door:
Kees Woutersen

Dat
Spanje een van de meest vogelrijke landen van Europa is, was
al lang bekend. Dat het ook het land is met de meeste belangrijke
vogelgebieden (IBA´s, Important Bird Area´s) heeft een inventarisatie
eind jaren 1990 van de Spaanse BirdLife uitgewezen (Carlota
Viada 1999 Areas importantes para las aves en España. SEO/BirdLife,
Madrid). Het gaat om maar liefst 391 IBA´s en 32% van de oppervlakte
van het land. Sinds een eerste inventarisatie in 1989 zijn
er in Spanje vele nieuwe IBA´s ontdekt, vooral dankzij een
toenemend aantal aktieve lokale ornithologen. Na Rusland heeft
Spanje ook het grootste oppervlakte aan IBA´s van Europa en
daarnaast is het belang van eilandengroepen, zoals de Canarische
eilanden, met een groot aantal endemen hoog. De Canarische
eilanden is ook aangewezen als een van de drie Europese gebieden
met endemische soorten en is hiermee zelfs een op wereldschaal
belangrijk vogelgebied.
Voor
de bescherming van zeldzame en kwetsbare soorten zijn IBA´s
belangrijk omdat ze aan objectieve internationale criteria
voldoen en een speciale beschermde status kunnen krijgen.
Het zijn de kwalitatief beste vogelgebieden van Europa. In
Spanje worden dat ZEPA´s genoemd: Zona de Especial Protección
para las Aves en de verantwoordelijken zijn de regio´s. Inmiddels
is in Spanje 46% van de IBA´s geheel of gedeelteijk tot ZEPA
verklaard en de oppervlakte beschermd gebied neemt nog steeds
toe.
Verdeling
per regio
Extremadura
is de regio met het grootste oppervlakte aan IBA´s, bijna
75% van zijn oppervlakte is belangrijk vogelgebied, terwijl
de Canarische eilanden de het grootste aantal IBA´s heeft:
65. Op een verrassende tweede plaats staat een kleine regio
met 5 miljoen inwoners: Madrid. Vooral ten noorden van de
stad zijn zeer belangrijke gebieden, waar 20% van de keizerarendenpopulatie
broedt en soorten als monniksgier, zwarte ooievaar, grote
en kleine trapen flinke aantallen te vinden zijn. Daarna komen
er regio´s waarvan rond de 30% van hun gebied belangrijk zijn
zoals Andalucia, Aragón en La Mancha.
De
belangrijkste soorten
Welke
soorten zijn nu het belangrijkst? Als we kijken voor welke
vogels er de meeste IBA´s zijn aangewezen, dan zijn dat in
de eerste plaats roofvogels. Havikarend, vale gier, steenarend,
slechtvalk en aasgier worden het meest genoemd en tevens soorten
als zwarte ooievaar, alpenkraai, grote en kleine trap, en
kraanvogel (in de winter). Uit een vergelijking met andere
Europese landen blijkt Spanje ook de meeste vogelsoorten te
hebben die bescherming nodig hebben. Negen hiervan komen in
Europa zelfs alleen in Spanje voor: woestijnvink, kraagtrap,
Spaanse keizerarend, knobbelmeerkoet, renvogel, Dupont´s leeuwerik
en de endemen van de Canarische eilanden. Indien deze soorten
verloren zouden gaan, zou dat een algeheel verlies voor Europa
betekenen.
Een samenvatting
van de belangrijkste IBA´s van Spanje (habitat, ornithologisch
belang en bescherming) vindt u bij de reisbeschrijvingen.

VOGELS
VAN MIDDEN-SPANJE:
EXTREMADURA,
LA MANCHA & GREDOS
Gepubliceerd
in NATURA 2004 (6) pp. 164 – 167.
Door:
Kees Woutersen

Midden-Spanje
heeft een gavarieerde natuur. We vinden er zoet- en zoutwatermeertjes,
unieke dehesas, oneindige steppen en hoge bergketens. In La
Mancha liggen 150 natuurlijke, vogelrijke plassen die door
grondwater gevoed worden. Hier ligt ook het Nationale Park
Cabañeros, dat niet vrij toegankelijk is, begroeid met Mediterrane
vegetatie en dehesas. Meer dan de helft van de autonome regio
Extremadura bestaat uit ‘dehesas': bossen van kurk- en steeneiken
waartussen ‘weiden' met een diverse kruidenvegetatie te vinden
zijn. Hier worden schapen, varkens en koeien (+ vechtstieren)
gehouden. Steppen zijn gebieden met weinig regenval en een
lage kruidenvegetatie. Het berggebied Gredos heeft kale rotsen,
alpenweiden en toppen tot 2.500. In het voorjaar, april en
mei is het land nog niet opgedroogd, de temperatuur is aangenaam
en er is bloemenpracht alom.
In
Midden-Spanje komen vogelsoorten voor die elders in Europa
moeilijk te vinden zijn: grijze wouw, monniksgier, Spaanse
keizerarend, havikarend, roodstuitzwaluw en blauwe ekster.
Ooievaar en kleine torenvalk zijn verbazingwekkend algemeen.
De aantallen roofvogels en zangvogels zijn groot, rode –
en zwarte wouw, slangen- en dwerarend, hop en bijeneter zijn
algemeen. Op de plasjes van La Mancha vinden we veel eenden,
steltlopers op doortrek, reigerkolonies, witkopeend, lachstern
en witwangstern. Onder de besneeuwde toppen van Gredos zijn
weer andere vogels te vinden zoals waterpieper, alpenheggemus,
waterspreeuw en rode rotslijster.
La
Mancha
Rond
het dorp Pedro Muñoz liggen grote en kleine zoet-- en brakwatermeren,
waarvan er een aantal beschermd zijn. In de loop van het voorjaar
drogen ze bijna allemaal op. In de grootste meren, gelegen
in het hart van La Mancha, broeden 150 paar lachsterns, purperreigers,
kleine zilverreigers, dwergsterns, witwangsterns, vorkstaartplevieren
en steltkluten terwijl er ook flamingo's en krooneenden zitten.
De witkopeend was bijna uitgestorven, maar dankzij een beschermingsprogramma
broeden er nu ruim 2.000 paar in Midden- en Zuid-Spanje. Tijdens
de voorjaarstrek verblijven er soms duizenden steltlopers
bij deze plasjes.
Cabañeros
is een van de simbolen van de Spaanse natuurbescherming. Eens
bestemd als schietbaan voor straaljagers van de luchtmacht,
werd dit gebied na lang actievoeren door natuurbeschermingsorganisaties
een bekend Nationaal Park. Er zijn grote, moderne bezoekerscentra
en vriendelijke parkwachters begeleiden dagelijks excursies
door het park. Kurkeiken, steeneiken en gras- en graanvelden
domineren Cabañeros en dankzij de verspreid staande bomen
doet dit gebied aan de Afrikaanse savanne denken. Kleine trappen,
kalanderleeuweriken, kortteenleeuweriken en grielen zijn steppevogels
die hier broeden. In de heuvels vinden we niet alleen veel
Zuid-Europese zangvogels en blauwe eksters maar ook 160 paar
monniksgieren, Spaanse keizerarend en andere roofvogels. Er
zijn tevens veel edelherten, wilde zwijnen en Iberische hazen.
Extremadura
Extremadura
is uniek want volgens de Spaanse SEO/BirdLife is maar
liefst 74% van de oppervlakte een IBA (Important Bird Area).
Nergens staan zoveel dehesas als hier en bijna alles is afgesloten
met hekken en dus niet toegankelijk. Vogels kijken gebeurt
vooral vanaf kleine wegen en paden, die vaak perfect geasfalteerd
zijn maar waar bijna geen verkeer komt. Het roofvogelrijke
natuurpark Monfragüe is het indrukwekkendst. Dehesas tot de
horizon, prachtige rivieren, kale rotsen en overal roofvogels
in de lucht. Heel apart zijn de nesten van Spaanse keizerarend,
aasgier, vale – en monniksgier, zwarte ooievaar en raaf
waarop broedende vogels met een telescoop goed te spotten
zijn. De steppen zijn uitgestrekt en verlaten. De kleine trap
zit op veel plaatsen maar de goede plekken varieren van jaar
tot jaar. Grote trappen zitten in groepjes en wandelen langzaam
het veld in als er een auto met vogelaars stopt om ze te bekijken.
Met ruim 22.000 individuen heeft Spanje ruim de helft van
de wereldpopulatie grote trappen. Overal zitten kalanderleeuwerikken,
zuidelijke klapeksters, grauwe kiekendieven en nog veel meer
steppenvogels. Middeleeuwse stadjes als Trujillo hebben een
aparte sfeer. Op de eeuwenoude gebouwen broeden grote aantallen
ooievaars en kleine tornvalken.
Gredos
De
sierra de Gredos is een 115 km. lange bergketen direct ten
noorden van Extremadura. Op de zuidhelling staan nog dehesas
maar vanaf 1.500 meter hoogte vinden we veel kale rotsen en
alpenweiden. De waterspreeuw broedt in de rivieren, de rode
rotslijster is op sommige plekken erg algemeen en de grijze
gors is opvallend totaal niet schuw. De steenbok was door
overbejaging bijna uitgestorven. Vanuit enkele tientallen
individuen heeft men een populatie van ruim 4.000 dieren op
weten te bouwen. Genetisch zijn ze erg verarmd en regelmatig
worden er vele honderden dieren door ziektes geveld maar er
zijn nu ruim voldoende steenbokken om dit soort tegenslagen
op te vangen.
Natuurbescherming
Monfragüe
(155.000 ha.) staat dankzij de nieuwe Spaanse regering op
de nominatie om in het najaar van 2004 Nationaal Park te worden.
Hiermee verkrijgt het niet alleen de hoogste beschermde status,
er zullen ook meer fondsen beschikbaar komen om projecten
uit te voeren. In het jaar 2000 zijn (met Europees geld) grote
oppervlaktes van de exotische eucaliptusboom ´met wortel en
tak´ uit Monfragüe verwijderd. De natuurlijke vegetatie komt
nu weer terug maar het zal nog ruim 50 jaar duren voor de
oude situatie weer is bereikt.
Niet
alleen de inwoners van Extremadura maar de hele Spaanse
bevolking wordt steeds meer bewust van het belang van de natuur.
De natuur verschijnt regelmatig in de lokale en nationale
media en het aantal grote beschermde natuurgebieden in Spanje
is de afgelopen 15 jaar enorm toegenomen. Vooral het aantal
beschermde IBA´s (Important Bird Areas) zijn dankzij SEO/BirdLife
(zie: www.seo.org ) en Europese
wetgeving de laatste jaren als paddestoelen uit de grond geschoten.
De komst van buitenlandse vogelaars en andere natuurminnaars
helpt mee omdat de lokale bevolking daardoor het idee krijgt
dat hun land werkelijk iets te betekenen heeft. Het
landschap dat ze hun hele leven hebben gezien en waar ze niets
speciaals aan aan kunnen ontdekken moet wel bijzonder
zijn als er mensen van zo ver komen om vogels te kijken.
Spaanse
keizerarend
De
witte kop en de grote witte schoudervlekken zijn karakteristiek
voor deze arend die een spanweidte van twee meter heeft. Het
broedgebied van de Spaanse keizerarend is beperkt tot de zuidwesthoek
van het Iberisch schiereiland en de wereldpopulatie is ongeveer
170 paar. Alle nesten worden beschermd maar het uitleggen
van gif, habitatvernietiging, het aanleggen van wegen en woonwijken
en grootschalig toerisme blijven een serieuze bedreiging.
Recentelijk is het uitleggen van gif door jagers een probleem
geworden. De jagers denken hiermee concurrenten zoals vossen
en verwilderde honden te elimineren, maar ook aasetende roofvogels
zoals de Spaanse keizerarend zijn hier het slachtoffer van.
Door het instorten van de konijnenpopulatie tien jaar geleden
is het belangrijkste prooidier van de Spaanse keizerarend
op sommige plaatsen echt zeldzaam geworden. Het broedsucces
is erg wisselend, soms worden er veel en soms heel weinig
jongen grootgebracht. De laatste jaren is er gelukkig een
stijgende lijn te zien in de populatie van de Spaanse keizerarend.
Blauwe
ekster
Ook
de blauwe ekster heeft een verspreidingsgebied dat beperkt
is tot de zuidwesthoek van het Iberisch Schiereiland. DNA
onderzoek heeft recentelijk uitgewezen dat de blauwe ekster
van China toch echt een andere soort is. In de dehesas van
Extremadura is hij algemeen en makkelijk te zien. De blauwe
ekster is schuw en komt niet graag dichtbij de mens maar als
er voedsel of in de zomer water wordt aangeboden komt hij
plotsling even erg dichtbij. Het is een standvogel die nooit
het leefgebied verlaat waarin hij geboren is. Blauwe eksters
leven in hechte familiegroepen, waarbij ´tantes´ helpen bij
het grootbrengen van jongen van andere individuen. Hierdoor
wordt het broedsucces van de familiegroep hoger, maar het
is nog onduidelijk wat het voordeel is voor het familielid
dat een ander individu helpt. In de winter groepeert de blauwe
ekster zich in groepen van vele tientallen vogels die zich
gezamenlijk door de steen- en kurkeikenbossen verplaatsen.

Vogels
kijken in Spanje
Gepubliceerd
in Het Vogeljaar 2002 nr. 50 (6), pp. 254 - 265.
Door:
Kees Woutersen

Audouins
meeuw bij Tarifa (© Kees Woutersen).
Ontoegankelijke
berggebieden, enorme droge steppen, rivierdelta´s vol water,
grote oppervlaktes land zonder mensen, unieke ongerepte landschappen
en een apart klimaat zijn de belangrijte factoren die Spanje
zo´n goed vogelland maken. Daar komt bij dat er een uitstekende
infrastructuur is en een goede en betaalbare horeca, heel
belangijk voor de reiziger. Spanje is het Europese land met
de meeste IBA´s (Important Bird Area´s) en er leven veel vogelsoorten
die (bijna) nergens anders te zien zijn. Spanje is een mooi
en prettig land, voor ondergetekende is het een privilege
om er te kunnen wonen en zo veel de natuur in te kunnen trekken.
In
dit artikel passeren de voor Nederlanders meest gewilde vogelsoorten
(38) van het vasteland van Spanje de revu. Per soort beschrijf
ik de verspreiding en waar ze, naar mijn persoonlijke ervaring,
het makkelijkst gezien kunnen worden.
De
interessantste vogels van Spanje
Marmereend
Het
voorkomen van de marmereend in Spanje, de laatste broedplaats
in Europa, kent hoogte- en dieptepunten. In 1994 werd een
minimum van 35 paar vastgesteld, enkele jaren geleden werden
nog een 70tal exemplaren vergiftigd gevonden maar hij lijkt
er steeds weer bovenop te komen. Toch zijn er nooit meer dan
250 paar geteld, de meesten broeden in het wetland El Hondo,
achter Alicante (Valencië). Doñana is voor vogelaars de bekendste
plek, waar ik in april 2002 13 vogels bij elkaar heb gezien.
Witkopeend
De
witkopeend is eigenlijk een Aziatische vogelsoort met een
kleine populatie in het uiterste zuiden van Spanje en Noordwest
Afrika. Hij broedt in meertjes met een redelijk zoutgehalte,
liefst niet dieper dan 2 meter, met veel onderwaterplanten
en riet maar ook met open water. Meestal drogen dit soort
plassen op in het voorjaar zodat deze specialist dus eigenlijk
weinig mogelijkheden heeft om jongen groot te brengen. De
witkopeend was 25 jaar geleden bijna uit Spanje verdwenen:
de midwintertelling van 1977 leverde nog maar 22 individuen
op. Bescherming tegen jacht en het inrichten van reservaatjes,
plasjes die niet uitdrogen met gevarieerde onderwatervegetatie
hebben de witkopeend gered. Nu zijn er enkele duizenden vogels,
hoewel de populatie van jaar tot jaar sterk varieert, verspreid
over de zuidelijke helft van Spanje in allerlei plasjes. De
bekendste plek voor witkopeenden is Doñana, waar hij verspreid
in kleine aantallen gezien kan worden. het bezoeken van kleine
meertjes in het binnenland van Andalusië, bijvoorbeeld bij
Córdoba en Málaga, kan ook heel interessant zijn. Het ongelofelijke
aantal van 750 witkopeenden zag ik in september 2001 in de
laguna de Medina, bij Jerez de la Frontera (Andalusië).
Grijze
wouw
Deze
vogel lijkt helemaal niet op de rode of zwarte wouw en dat
komt omdat hij van een geheel andere familie is. In 1973 werd
de eerste broedende grijze wouw in Europa gevonden en daarmee
was zijn oversteek vanuit Afrika definitief. Vervolgens is
het aantal broedpaar in Spanje langzaam maar gestaag toegenomen
tot meer dan 1.000 paar. Het broedgebied is uitgebreid van
het zuiden tot boven Madrid. Deze muizeneter heeft nu al twee
jaar vlakbij Huesca in een steeneikenbos gebroed. De grootste
dichtheden van de grijze wouw zijn te vinden in de dehesa´s
in Extremadura, waar je hem als vogelaar zo nu en dan tegenkomt,
biddend boven de velden of zittend in de top van een boom.
Rüpells
gier
Sinds
enkele jaren worden er regelmatig Rüpells gieren bij Tarifa
gezien. In het voorjaar van 2000 is aan de Taag, in Extremadura
op de grens van Spanje en Portugal, een Rüpells gier gevonden
die een ei bebroedde. In de omgeving waren nog minstens drie
andere, onvolwassen, Rüpellsgieren aanwezig maar het is nog
niet duidelijk wie de partner is en óf er wel een partner
is: het zou ook kunnen gaan om een verlaten nest van een vale
gier. De rüpells gier (Gyps ruepellii) is nauwe familie van
de vale gier (Gyps fulvus) en broedt in Afrika ten zuiden
van de Sahara.
Lammergier
De
zeldzaamste van de Europese gieren, de lammergier, broedt
van hoog tot laag in de Pyreneeën. De toenemende populatie
(incl. Frankrijk) is ruim 400 vogels en hij is veel makkelijker
te zien dan 20 jaar geleden. In de centrale Pyreneeën, en
dan in de natuurparken van Ordesa en Guara is de kans het
grootste om de lammergier tegen te komen maar feitelijk kun
je hem overal zien. In de zomer is het hooggebergte de beste
zone. Wat is er mooier dan een lammergier langs een bergkam
te zien scheren?
Monniksgier
De
monniksgier is de grootste Europese roofvogel. De populatie
in midden Spanje groeit langzaam (ruim 1.200 paar) terwijl
er op Mallorca een neergaande trend is. Ze bouwen het nest
in de top van grote bomen, met name steen- en kurkeiken, en
zitten vaak in grote groepen bij elkaar. De belangrijkste
concentraties zijn te vinden in Monfragüe (Extremadura) en
Cabañeros (La Mancha). Hier kun je ze ook op het nest zieen
zitten. De spannendste waarnemingen van monniskgieren heb
ik gedaan op de steppen, waar ze in kleine groepjes aan kadavers
zaten te eten. Al vogelend kom je deze ´slagschepen´ iedere
dag tegen in de belangrijkste gebieden: Extremadura, La Mancha
en de sierras ten noorden van Madrid.
Aasgier
De
aasgier is een grote roofvogel, maar een kleine gier. Hij
eet ook kleiner aas zoals kippen en slachtafval, konijnen,
hazen enz. Dat is de reden dat juist de aasgier zo gevoelig
is voor uitgelegd gif en de laatste jaren gaat de populatie
in Spanje hard achteruit. Alleen in berggebieden zoals de
Pyreneeën is de populatie stabiel. De hoogste dichtheden zijn
te vinden in de westelijke helft van de Pyreneeën en in het
vlakke land eronder, de Ebro vallei. Ook in Extremadura en
bepaalde delen van Castilië en Andalusië (Cádiz) zijn veel
aasgieren. In de hier genoemde gebieden kom je hem regelmatig
tegen, daarbuiten is het heel moeilijk een aasgier te zien.
De
beste plek om aasgieren te zien is ongetwijfeld Tarifa, waar
tussen half augustus en half oktober de gehele Spaanse populatie
langstrekt. Vele tientallen vogels per dag kunnen vlak langs
de waarnemer vliegen en dit is het moment om onvolwassen vogels
te zien. Die zijn geheel bruin, maar goed te herkennen aan
het silhouet en vaak in gezelschap van oude vogels. Tussen
half februari en begin april komen alle oude vogels via dezelfde
route terug. De onvolwassen vogels blijven dan nog een geheel
jaar in Afrika.
Spaanse
keizerarend
Het
is niet omdat de Spaanse keizerarend zo zeldzaam is, hij ziet
er gewoon majesteitelijk uit: een echt grote arend met wit
op de kop en schouders. Het broedgebied blijft beperkt tot
de zuidwest hoek van het Iberisch schiereiland en de totale
populatie schommelt, maar komt niet boven de 150 paar. Er
worden enorme inspanningen gedaan om de populatie op te krikken
maar het uitleggen van gif, het aanleggen van wegen en spoorlijnen,
het toerisme en nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen heffen
ieder jaar hun tol. Daarnaast was het instorten van de konijnenpopulatie
begin jaren 1990, zijn belangrijkste prooi, een ramp.
De
grootste dichtheid Spaanse keizerarenden is te vinden in El
Pardo (het koninklijke jachtgebied) bij Madrid. Hier zijn
ook veel onvolwassen vogels aanwezig en mijn ervaring is dat
hij hier veel makkelijker te zien is dan in Extremadura of
La Mancha, waar de meeste paren zitten. Doñana in Andalusië
en Monfragüe in Extremadura blijven voor de vogelaars de bekendste
gebieden voor de Spaanse keizerarend, maar vergeet niet dat
in het voorjaar er altijd een van de vogels op het nest zit.
Het voorjaar is daarom de slechtste tijd van het jaar om naar
deze soort op zoek te gaan. In de winter is de trefkans veel
groter en in maart heb ik ze ook heel actief bezig gezien
met het aandragen van takken bij het bekende nest bij ´La
Bascula´ in Monfragüe.
Havikarend
De
havikarend is voor de meeste vogelaars een probleemsoort.
Dat komt vooral omdat het geen zeiler is zoals de meeste grote
roofvogels maar een vlieger en daarom maar weinig tijd in
de lucht doorbrengt. De kans om hem daadwerkelijk in beeld
te krijgen is ook in de gebieden waar veel havikarenden leven
klein. Zelf heb ik maar een paar keer een havikarend rustig
kunnen bekijken, omdat ze eigenlijk altijd langsvliegen en
dan weer snel verdwijnen. In Spanje zijn de dichtheden nog
groot in Extremadura (ruim 100 paar) en in de berggebieden
van het zuiden. Dit zijn de beste plekken om de havikarend
te zoeken. Uit de Pyreneeën is hij vrijwel verdwenen, evenals
uit de sierras direct achter de kust van de Middellandse Zee
van Catelonië en Valencië. Een laag broedsucces en een grote
sterfte onder onvolwassen vogels (hoogspanningslijnen) schijnen
de belangrijkste oorzaken te zijn. De totale Spaanse populatie
zal nu onder de 600 paar liggen.
Kleine
torenvalk
Het
is een fonomenaal gezicht kleine torenvalken te zien vliegen
en baltsen boven middeleeuwse stadjes als Cáceres en Trujillo
(Extremadura). Regelmatig verdwijnen ze dan onder dakpannen
of in gaten in de oude muren en soms blijven ze een tijdje
op het dak zitten. Herkenning is op zo´n moment geen enkel
probleem. Dat is wel even anders als je een dag later wat
´torenvalken´ biddend en jagend op de steppen tegenkomt. Dan
zitten ze meestal niet zo dichtbij en moet je heel goed kijken
of je de kenmerken kunt zien.
Van
de 100.000 paar kleine torenvalken die een halve eeuw geleden
in Spanje broedde is geen 10% over, maar de populatie is nu
al vele jaren stabiel. De helft broedt in Andalusië (vooral
de provincies Huelva en Cádiz), 30% in Extremadura en rest
zit verdeeld over Castilië, La Mancha en Madrid. Hier is de
kleine torenvalk niet moeilijk te zien (het is een zomervogel)
en zijn ze vooral te vinden in de oude stadjes, gebruik makend
van holen in oude muren. Overdag gaan ze vlaktes op om insecten
te jagen.
Barbarijse
patrijs
Er
zit een kleine populatie barbarijse parijzen op Gibrltar,
de enige op het vasteland van Europa. Het gaat om een kleine
honderd vogels die broeden tussen de Mediterrane struiken
en steeneiken in het Nature Reserve. Na enig zoeken zijn ze
wel te vinden, ze fourageren regelmatig op het militaire terrein
in het zuiden.
Gestreepte
vechtkwartel
Wat
spreekt er meer tot de verbeelding dan een vogel die niemand
kan vinden? Ook volgens de allernieuwste vogelgids zit hij
gewoon verborgen in de graanvelden van Zuid Spanje, maar betrouwbare
waarnemingen zijn niet te vinden. Een vogelaar uit Cádiz heeft
zich in de soort gespecialiseerd en alle 23 waarnemingen (van
vooral roepende vogels) bestudeerd. Helaas hebben sistematische
zoektochten de de laatste 6 jaar in het geheel niets opgeleverd
en de soort wordt daarom voor Spanje als uitgetorven beschouwd.
Purperkoet
De
purperkoet is dé successtory van de Spaanse natuurbescherming.
In de jaren 1950 was het broedareaal van de purperkoet in
Spanje gereduceerd tot wetlands in Andalusië en iedere vogel
deed moeite om hem in Doñana in beeld te krijgen. Ik weet
nog goed dat ik in 1979 na enkele dagen zoeken een gat in
de lucht sprong bij mijn eerste purperkoet. Nadat vanaf
1976 er beschermingsmaatregelen genomen zijn gaat hij weer
vooruit. Niet alleen is hij weer te vinden op traditionele
plekken zoals in Aguamolls aan de Costa Blanca (Catelonië)
maar hij broedt nu ook op vele plaatsen in het binnenland,
tot in La Mancha en Extremadura aan toe. Op plaatsen als de
Ebro Delta en in vele plasjes in Andalusië zitten vele paren.
In Doñana is hij nu uitzonderlijk talrijk, vooral rond het
dorp El Rocio. In het najaar concentreren zich enkele duizenden
vogels aan de oostrand van Doñana (Brazo del Este), vlak onder
Sevilla omdat daar altijd water is.
Knobbelmeerkoet
De
knobbelmeerkoet vinden we in Europa uitsluitend in de zuidpunt
van Spanje. De laatste schattingen kwamen uit op minder
dan 20 paar (1997) en vogelaars in Doñana konden hem slechts
zeer zelden vinden. Tot mijn verbazing kwam ik in september
2001 enkele paren tegen rond Doñana, op het nest en met halfwas
jongen. In april 2002 zag ik diverse vogels in dit Nationale
PArk. Waar komen ze vandaan?
De
knobbelmeerkoet is terug mede dankzij een introductie-project.
Er zijn eieren uit Marokka gehaald en bij een kleine, in gevangenschap
levende populatie gezet. Hier zijn ruim 200 jongen grootgebracht.
Let wel: de knobbelmeerkoet kan 12 de maanden van het jaar
broeden! Inmiddels zijn er zo´n 80 vogels op diverse plaatsen
losgelaten, te herkennen aan een witte halsband, die onmiddelijk
aan het broeden zijn geslagen zodat we ons kunnen verheugen
op een groeiende populatie. In 2001 zijn minstens 54 broedparen
gevonden. Blijkbaar zijn de belangrijkste factoren die hem
deed uitsterven verdwenen: jacht en biotoopvernietiging. De
Spaanse SEO/BirdLife heeft de knobbelmeerkoet uitgeroepen
tot ´Vogel van het jaar 2002´.
Kleine
trap
De
kleine trap is een steppevogel die in grote delen van Spanje
voorkomt. Verreweg de meeste vogels zitten in Extremadura,
La Mancha en in delen van Andalusië en Castilië. Denk niet
dat hij zeldzaam is, de schattingen lopen zeer uiteen maar
het gaat zeker om enkele honderddduizenden mannetjes. Die
mannetjes baltsen zo mooi en maken een droog, ver hoorbaar
´krrrrr´ geluid als ze hun kop in de nek gooien. De kleine
trap vliegt met een snelle vleugeslag die aan een eend doet
denken. Toch is de kleine trap vaak niet makkelijk te vinden.
Hij bevindt zich in droge terreinen, steppeachtig, in graanvelden
en vooral in velden die enkele jaren niet bebouwd zijn. Hierbij
zitten ze niet ieder jaar in dezelfde percelen.
In
de winter concentreren de kleine trappen zich in groepen en
de meeste vogels zitten dan in Extremadura. Ook dan zijn ze
niet direct te vinden, maar dan heb je soms ook indrukwekkende
groepen van tientallen, honderden of zelfs enkele duizenden
vogels.
Grote
trap
De
grote trap is misschien wel de indrukwekkendste vogel van
Spanje, het is de zwaarste Europese vogel die in staat is
het luchtruim te kiezen. Spanje heeft zo´n 14.000 grote trappen
(de helft van de wereldpopulatie) waarvan de zo´n 50% in Castilië
leeft. De grootste dichtheid vinden we rond het dorp Villafáfila
en hier zijn ze helemaal niet schuw. Hier heb ik de grote
trappen dan ook het mooist en langst kunnen bekijken. De meeste
vogelaars gaan naar Extremadura om grote trappen te zoeken
en na enig zoekwerk rond de stadjes Trujillo en Cáceres lukt
dat meestal ook wel maar hier zijn ze schuwer dan bij Villafáfila.
De populatie bij Madrid gaat achteruit, die van de Monegros
(Aragón) is gereduceerd tot zo´n 40 vogels en in Andaluisië
zijn verschillende populaties kleinere. De grote trap bewoont
uitgestrekte graanvelden en droge steppegebieden en de beste
taktiek om ze te vinden is met kijkers en telescopen de velden
af te zoeken. Ga niet, zoals ondergetekende eens deed, om
12 uur ´s middags lopend en zonder water de velden in.....
.
Dunbekmeeuw
Als
je de zachtroze onderkant van de volwassen dunbekmeeuw in
broedkleed ziet, denk je dat zo´n kleur bij vogels niet kan.
Bija alle 500 paar broeden in de Ebro Delta, op de zuidpunt
die niet toegankelijk is. Gelukkig bezoeken ze regelmatig
de kust van de Delta en sommige jaren is er een kleine kolonie
in de duinen. Dan is ook de balts te zien. Ze fourageren op
zee, zijn nooit meer dan enkele honderden meters van de kust
verwijderd en vliegen heen en weer over het strand.
Audouinsmeeuw
Deze
prachtige meeuw van het Middellandse zeegebied was bijna uitgestorven
maar heeft de afgelopen 20 jaar een onwaarschijnlijke opmars
gemaakt. De grootste kolonie is nu gevestigd in de Ebro Delta
en deze nam toe van 36 paar in 1981 tot rond de 15.000 paar
nu! Van hieruit worden andere plekken aan de westelijke Middellandse
zeekust gekoloniseerd. De Audouins meeuw fourageert vooral
op zee maar de laatste jaren zijn verspreid door de hele Ebro
Delta individuen te zien. De kust van de Ebro Delta blijft
natuurlijk dé plek om deze meeuw te zien. Daarnaast is hij
vooral tijdens de trek (augustus, september en maart, april)
regelmatig te zien op de stranden van zuid Spanje, bijvoorbeeld
bij Tarifa en bij Doñana.
Bengaalse
stern
De
enige plaats in Europa waar de Bengaalse stern met redelijke
zekerheid te vinden is, is op het strand Los Lances bij Tarifa.
Het gaat om vogels op trek, vooral in de maanden september
en maart/begin april. Ze zijn op weg van de broedgebieden
aan de Libische kust en het overwinteringsgebied aan de kust
van west Afrika of omgekeerd. De Bengaalse sterns komen in
de middag het strand op om te rusten en te slapen en zijn
dan te vinden tussen de grote sterns en Audouins meeuwen.
Alleen bij harde wind, als het strand onder water staat, laten
ze het afweten maar als je een of twee dagen later terugkomt
is de kans weer levensgroot ze aan te treffen. Mijn maximum
is drie vogels tegelijk.
< |